Op weg met de Koning 6: Betanië

De veertigdagentijd is een tijd van vertraging en bezinning. Een tijd om ons opnieuw te richten op het lijden, sterven en opstaan van Jezus. In deze periode voor Goede Vrijdag en Pasen reizen we met Hem mee naar Jeruzalem. Op verschillende plaatsen openbaart Hij wie Hij is: de Koning, maar een andere Koning dan wij verwachten. Wat voor Koning is Hij? Hoe ziet zijn koninkrijk eruit? En hoe vormt zijn koningschap de mensen die met Hem meegaan? Aan het begin van de laatste week komt Jezus als een Koning Jeruzalem binnen en krijgt Hij wat Hem toekomt.

29Toen Hij Betfage en Betanië bij de Olijfberg naderde, stuurde Hij twee van de discipelen vooruit 30en zei tegen hen: ‘Ga naar het dorp daarginds. Daar zullen jullie een vastgebonden veulen vinden, dat nog nooit door iemand bereden is. Maak het los en breng het hier. 31Als iemand jullie vraagt: “Waarom maken jullie het los?”, moeten jullie antwoorden: “De Heer heeft het nodig.”’ 32De beide discipelen gingen op weg en vonden het veulen, precies zoals Jezus had gezegd. 33Toen ze het dier losmaakten, vroegen de eigenaars hun: ‘Waarom maken jullie het los?’ 34Ze antwoordden: ‘De Heer heeft het nodig.’ 35Daarna brachten ze het veulen naar Jezus. Ze wierpen hun mantels over het dier en lieten Jezus erop zitten. 36Onderweg spreidden de discipelen hun mantels voor Hem op de weg uit. 37Toen Hij op het punt stond de Olijfberg af te dalen, begon de hele groep discipelen vol vreugde en met luide stem God te prijzen om alle wonderdaden die ze hadden gezien. 38Ze riepen: ‘Gezegend Hij die komt als koning, in de naam van de Heer! Vrede in de hemel en eer aan de Allerhoogste!’ 39Enkele farizeeën in de menigte zeiden tegen Jezus: ‘Meester, berisp uw discipelen.’ 40Maar Hij antwoordde: ‘Ik zeg u: als zij zouden zwijgen, dan zouden de stenen het uitschreeuwen.’ (Lucas 19:29-40, NBV21)

De Koning krijgt een ezel

Jezus en de discipelen hebben een lange reis afgelegd, maar die is nu bijna ten einde. Ze lopen over de Olijfberg, die direct naast Jeruzalem ligt. Als ze over de bergkam heen zijn, moeten ze alleen nog maar afdalen naar het Kidrondal, en dan zijn ze bij de stad. Misschien denken de discipelen terug aan alles wat er onderweg is gebeurd. Sinds Jezus hen vertelde dat Hij de Messias is, de langverwachte Koning, hebben ze veel van Hem geleerd. Maar telkens blijkt dat Jezus zijn koningschap anders invult dan zij verwachten. Hij verwelkomt onverwachte mensen in zijn koninkrijk en gaat lijden niet uit de weg, maar accepteert het. De discipelen hebben zich de afgelopen tijd vaak verbaasd over Jezus. Toch blijven ze Hem volgen, omdat ze in Hem geloven.

Na een tijdje naderen Jezus en de discipelen de dorpjes Betfage en Betanië. Daar geeft Jezus twee van zijn discipelen een opdracht: ze moeten een veulen zoeken. Als ze het dier hebben gevonden, moeten ze het losmaken en meenemen. Maar wat als iemand boos wordt? Kunnen ze zomaar het dier van een ander meenemen? Jezus stelt hen gerust. Ze moeten zeggen: “De Heer heeft het nodig.”

De twee discipelen gaan vooruit en inderdaad: daar staat een veulen, waar nog nooit iemand op heeft gereden. Ze maken het halstertouw los van de balk waar het dier bij staat, maar plotseling komen de eigenaren eraan, die willen weten wat er met hun dier gebeurt. “Hé, waarom maken jullie het los?” vragen ze. De discipelen schrikken, maar antwoorden: “De Heer heeft het nodig.” De eigenaren knikken en laten hen het veulen meenemen. Verbaasd lopen de discipelen terug naar Jezus en de anderen. Wat is dit? Hoe had Jezus dit van tevoren kunnen weten?









“Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde!
Je koning is in aantocht … Nederig komt hij aanrijden op een ezel”
(Zacharia 9:9)

De Koning krijgt een intocht

Als ze met het veulen bij Jezus aankomen, leggen ze hun mantels op de rug van het dier. Het past niet dat de Koning op de harde rug van een veulen zit; Hij hoort een waardige zitplaats te hebben. Jezus gaat zitten op het veulen en stapt richting Jeruzalem. Onderweg doen de discipelen hun mantels uit en leggen die op de weg. Zo rijdt de Koning over een loper. De discipelen geven Jezus de koninklijke intocht die Hij verdient!

De groep daalt de Olijfberg af naar het Kidrondal. Opeens kunnen de discipelen Jeruzalem al zien liggen. Ze zijn er bijna! De discipelen barsten spontaan uit in luid gejuich en ze prijzen God. Ze hebben al zoveel bijzondere dingen gezien en gehoord; het kan niet anders dan dat Jezus in Jeruzalem de overwinning zal behalen! Juichend en joelend lopen ze verder naar Jeruzalem. De discipelen roepen: “Gezegend Hij die komt als koning, in de naam van de Heer! Vrede in de hemel en eer aan de Allerhoogste!” Hebben de discipelen eindelijk begrepen wat voor Koning Jezus is? Weten ze nu hoe Jezus die overwinning zal behalen?

Hebben de discipelen eindelijk begrepen hoe Jezus zijn overwinning zal behalen?

Waarschijnlijk niet. Hiervoor hebben ze het niet begrepen, in Caesarea Filippi niet en op de plaatsen daarna niet, en in Jeruzalem zullen ze het ook niet begrijpen. Het is ook moeilijk om te begrijpen: door te sterven, krijgt Jezus het leven. Door te lijden, behaalt Jezus de overwinning. Misschien vinden wij het soms ook moeilijk om te begrijpen hoe Jezus overwint door ons lijden heen, in plaats van het weg te nemen. Maar zoals de discipelen toch Jezus prijzen, moeten wij Hem ook aanbidden. Jezus is onze lofprijs en aanbidding meer dan waard. Hij is onze Koning en Hij verdient onze eer!

De Koning krijgt alle eer

Maar Jezus en de discipelen zijn niet de enige mensen op de weg. Tijdens hun afdaling komen ze een aantal Farizeeën tegen. Zij horen wat de discipelen roepen en raken verontwaardigd. De discipelen zeggen dat Jezus de Messias is, de Koning! Hoe durft Hij dat toe te laten? De Farizeeën vinden dat Jezus’ discipelen direct moeten zwijgen en ze gaan naar Hem toe. “Meester, berisp uw discipelen”, vragen ze streng. Maar Jezus verdient als de Koning wél de eer. Als zijn discipelen die niet aan Hem geven, doen anderen dat wel. Jezus antwoordt de Farizeeën: “Ik zeg u: als zij zouden zwijgen, dan zouden de stenen het uitschreeuwen.”

Op deze manier is de intocht in Jeruzalem een glorieus moment voor Koning Jezus. Hij is zó dicht bij zijn troon en bij zijn overwinning, maar ook bij het kruis, zijn lijden en sterven. Dat alles is voor Hem weggelegd, en daarom komt ook nu al alles Hem toe: het veulen, de mantels van zijn discipelen en de lof en aanbidding. Dat kan niemand tegenhouden. Als mensen het ook nu nog tegenhouden, zullen de stenen het aan Hem geven.

Uitgelichte berichten