De veertigdagentijd is een tijd van vertraging en bezinning. Een tijd om ons opnieuw te richten op het lijden, sterven en opstaan van Jezus. In deze periode voor Goede Vrijdag en Pasen reizen we met Hem mee naar Jeruzalem. Op verschillende plaatsen openbaart Hij wie Hij is: de Koning, maar een andere Koning dan wij verwachten. Wat voor Koning is Hij? Hoe ziet zijn koninkrijk eruit? En hoe vormt zijn koningschap de mensen die met Hem meegaan?
Vorige week verbleven we met Jezus in Kafarnaüm en zagen we hoe Jezus niet de groten, maar juist de kleinen verwelkomt in zijn koninkrijk. Deze week reizen we met Jezus naar Perea, waar een jongeman die er perfect uitziet voor dat koninkrijk Hem een vraag stelt.
16Nu kwam er iemand naar Jezus toe met de vraag: ‘Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?’ 17Hij antwoordde: ‘Waarom vraagt u Me naar het goede? Er is er maar één die goed is. Als u het leven wilt binnengaan, houd u dan aan zijn geboden.’ 18‘Welke?’ vroeg hij. ‘Deze,’ antwoordde Jezus, ‘pleeg geen moord, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, 19toon eerbied voor uw vader en moeder, en ook: heb uw naaste lief als uzelf.’ 20De jongeman zei: ‘Daar houd ik me aan. Wat kan ik nog meer doen?’ 21Jezus antwoordde hem: ‘Als u volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop alles wat u bezit en geef de opbrengst aan de armen; dan zult u een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg Mij.’ 22Na dit antwoord ging de jongeman terneergeslagen weg; hij had namelijk veel bezittingen.
23Jezus wendde zich tot zijn leerlingen: ‘Ik verzeker jullie: slechts met grote moeite zal een rijke het koninkrijk van de hemel binnengaan. 24Ik zeg het jullie nog eens: het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ 25Toen de leerlingen dit hoorden, waren ze hevig ontzet en vroegen: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ 26Jezus keek hen aan en antwoordde hun: ‘Bij mensen is dat onmogelijk, maar bij God is alles mogelijk.’ (Matteüs 19:16-26, NBV21)
De verwachtingen van de mensen
Jezus is een tijdje in Kafarnaüm geweest met zijn discipelen en heeft daar onderwijs gegeven over zijn koninkrijk. Maar nu is het tijd om Galilea te verlaten en de Jordaan over te steken. Het gebied aan de overkant van de Jordaan, Perea, grenst aan Judea, waar Jeruzalem ligt. Terwijl Jezus onderweg is, vuren kritische schriftgeleerden en nieuwsgierige menigten verschillende vragen op Hem af. Maar dan komt er een jongeman met een eigen vraag: “Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?” Het eeuwig leven betekende in de tijd van Jezus het leven in het toekomstige koninkrijk van God. Hoe je dat leven bereikt, was een vraag waar veel Joodse geleerden over nadachten.
Jezus antwoordt: “Waarom vraagt u Me naar het goede? Er is er maar één die goed is.” Jezus maakt duidelijk dat God het antwoord heeft op de vraag van de jongeman. Dat antwoord is: “Als u het leven wilt binnengaan, houd u dan aan zijn geboden.” Hij verwijst naar Gods geboden, want wie Gods koninkrijk wil binnengaan, leeft zoals God het wil. De jongeman is benieuwd welke geboden het belangrijkst zijn. Jezus somt ze voor hem op. Hij noemt een aantal van de Tien Geboden. Opvallend is dat Hij juist de geboden kiest die gaan over de omgang met andere mensen. Hij vat deze geboden samen met het gebod “Heb je naaste lief als jezelf” (Leviticus 19:18).
Perea, het Overjordaanse, steeds dichter bij Jeruzalem.
Een onmogelijke opdracht
De jongeman antwoordt Jezus dat hij zich aan al deze geboden houdt, maar wil weten wat hij nog meer kan doen. Kan deze jongeman nog meer doen dan? Hij houdt zich aan Gods geboden, hij heeft genoeg geld voor offers en aalmoezen en is zijn geld bovendien niet juist een teken dat hij gezegend is? Hij lijkt de meest perfecte persoon voor Gods koninkrijk.
Toch weet Jezus dat de jongeman nog niet perfect is. Hij antwoordt hem: “Als u volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop alles wat u bezit en geef de opbrengst aan de armen; dan zult u een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg Mij.” Jezus wil niet alleen dat hij zich aan de geboden houdt, maar ook dat hij bereid is alles op te geven voor Hem. Wie bij Koning Jezus wil horen en in zijn koninkrijk wil wonen, moet volledig toegewijd zijn aan Hem.
Wie bij Koning Jezus wil horen en in zijn koninkrijk wil wonen, moet volledig toegewijd zijn aan Hem.
Maar als de jongeman hoort dat hij afstand van zijn bezit en geld moet doen om Jezus te volgen, loopt hij verdrietig weg. Hij houdt zich aan Gods geboden, maar zijn hart ligt bij zijn geld. Hij wil het niet opgeven voor Jezus. De discipelen schrikken wanneer Jezus zegt dat juist deze jongeman niet zomaar Gods koninkrijk kan binnengaan. In de ogen van de discipelen is hij juist de ideale kandidaat om binnen te gaan. Als het niet genoeg is om te leven volgens de geboden en gezegend te zijn, wie kan dat dan wel? Wat is de beslissende factor?
Voor God is alles mogelijk
Jezus wil niet alleen dat we doen wat Hij zegt, maar ook dat we ons hart aan Hem geven. Maar er zijn altijd dingen die we moeilijk vinden om op te geven. Voor de jongeman was dat zijn geld. Wat staat ons in de weg om ons hart volledig aan Jezus te geven? Misschien is het voor ons ook ons geld, onze tijd, status of autonomie. Maar hoe kunnen we leven zonder van deze dingen afhankelijk te worden? De discipelen willen dat ook weten. “Wie kan er dan nog gered worden?” vragen ze ontzet. Jezus kijkt zijn discipelen aan, om aan te geven hoe belangrijk zijn antwoord is: “Bij mensen is dat onmogelijk, maar bij God is alles mogelijk.”
Het koninkrijk is geen beloning voor wie zijn leven op orde heeft; het is de oplossing voor wie telkens tekortschiet.
Het lijkt alsof Jezus streng is, maar Hij eindigt met genade. Koning Jezus beoordeelt mensen niet op basis van hun prestaties en het koninkrijk van God is geen beloning voor wie zijn leven op orde heeft; het is de oplossing voor wie er telkens tegenaan loopt dat hij niet God kan geven wat Hem toekomt. Daarom opent God de weg voor ons en Jezus loopt met ons op die weg die wij zelf nooit hadden kunnen vinden. Gods genade is de beslissende factor om zijn koninkrijk binnen te gaan. Wij kunnen het niet verdienen; wij kunnen het alleen ontvangen.
De minst waarschijnlijke volgeling
Volgende week reizen we met Jezus naar Jericho. Daar kiest Jezus een onverwacht iemand uit om bij te verblijven. Opnieuw laat Jezus zien dat zijn koningschap anders is dan mensen denken.