Op weg met de Koning 3: Kafarnaüm

De veertigdagentijd is een tijd van vertraging en bezinning. Een tijd om ons opnieuw te richten op het lijden, sterven en opstaan van Jezus. In deze periode voor Goede Vrijdag en Pasen reizen we met Hem mee naar Jeruzalem. Op verschillende plaatsen openbaart Hij wie Hij is: de Koning, maar een andere Koning dan wij verwachten. Wat voor Koning is Hij? Hoe ziet zijn koninkrijk eruit? En hoe vormt zijn koningschap de mensen die met Hem meegaan?
Vorige week werd op de berg Hermon duidelijk dat je Jezus’ heerlijkheid niet lo kunt zien van het kruis. Deze week reist Jezus verder naar Kafarnaüm. Daar hebben zijn discipelen een vraag over het koninkrijk waarvan Hij, door lijden en verheerlijking, Koning zal zijn.

1Op dat moment kwamen de leerlingen Jezus vragen: ‘Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk van de hemel?’ 2Hij riep een kind bij zich, zette het in hun midden neer 3en zei: ‘Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan. 4Wie zichzelf vernedert en wordt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk van de hemel. (Matteüs 18:1-4, NBV21)

De grootste

Jezus en Petrus, Jakobus en Johannes hebben zich na de verheerlijking op de berg weer bij de andere discipelen gevoegd. Samen reizen ze naar Kafarnaüm, aan de Zee van Galilea, waar Jezus eerder gewoond had (Mat. 4:13). Ook op deze reis blijven ze er wat langer. De discipelen hebben inmiddels veel van Jezus gezien. Hij spreekt met wijsheid, doet wonderen met kracht en moet weliswaar lijden en sterven, maar zal daarna verheerlijkt worden als Koning. Een van de discipelen heeft dit allemaal van heel dichtbij meegemaakt: Petrus. Jezus heeft hem “Rots” genoemd, de verheerlijking op de berg laten meemaken en met een wonder de tempelbelasting voor hem betaald. Dit roept vragen op bij de andere discipelen: is Petrus soms belangrijker dan de rest? Daarom gaan ze naar Jezus en stellen Hem de vraag: ‘Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk van de hemel?’

Dat was in die tijd geen vreemde vraag. Joodse geleerden dachten ook veel na over de vraag wie in Gods toekomstige rijk een hoge positie zou krijgen en waarom. Er waren meerdere antwoorden: als iemand goed had geleefd, veel kennis had van de wet of gestorven was als martelaar. Waarschijnlijk verwachten de discipelen nu een dergelijk antwoord. Ondanks wat ze de afgelopen tijd hebben gezien en gehoord, zijn ze niet bezig met de weg náár Jezus’ koninkrijk. Elke discipel is bezig met zijn eigen plaats ín dat koninkrijk, in de hoop dat hij de grootste zal zijn.

De kleinste

Jezus geeft niet direct antwoord op de vraag van de discipelen, maar roept een kind bij zich en plaatst het in hun midden. Dat moet voor de discipelen een vreemde reactie zijn geweest. Ze verwachten een volwassen gesprek met Jezus, maar moeten naar een kind kijken. Niet een van de discipelen wordt door Jezus in het midden van de groep gezet als de belangrijkste, maar een klein kind. Hij zegt vervolgens: “‘Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan.”

Nu wordt het nog vreemder voor de discipelen. Zij zijn toch altijd het dichtst bij Jezus? Dan zijn zij toch verzekerd van een plek in zijn koninkrijk? Maar nu vertelt Jezus hen dat ze daarvoor als een kind moeten worden. Wat betekent dat? In de tijd van de Bijbel stond een kind niet symbool voor onschuld of puurheid, maar afhankelijkheid en geen rechten hebben. Worden als een kind betekent dat je jezelf niet de belangrijkste vindt en niet vertrouwt op je eigen prestaties, maar weet dat je nog veel moet leren, afhankelijk bent van God en op Hem vertrouwt. Dat is niet wat de discipelen hebben gedaan. Elke discipel dacht juist dat zijn prestaties hem een hoge positie zou opleveren en dat hij op zijn minst niet meer hoefde te leren dan Jezus’ andere volgelingen.

Op weg met de Koning 3: Kafarnaüm gezin Israël

Kinderen stonden in Jezus’ tijd niet voor onschuld, maar voor afhankelijkheid.

Jezus of jezelf?

Opnieuw blijkt dat de discipelen nog niet hebben begrepen wie Jezus écht is en hoe zijn koninkrijk er écht uitziet. Jezus is niet gekomen voor mensen die denken dat ze zichzelf kunnen redden, maar voor mensen die weten dat ze zonder Hem niet gered zijn. Een kind is afhankelijk van volwassenen en vertrouwt op hen; die geven aan het kind wat het zelf niet kan verdienen of organiseren. Zo geeft Jezus ook aan ons de toegang tot zijn koninkrijk wanneer wij erkennen dat we afhankelijk zijn van Hem.

Jezus is niet gekomen voor mensen die denken dat ze zichzelf kunnen redden, maar voor mensen die weten dat ze zonder Hem niet gered zijn.

Herkennen we ons in de denkfout van de discipelen? Denken wij dat wij verzekerd zijn van een plek in Jezus’ koninkrijk vanwege onze inzet, prestaties of Bijbelkennis? Juist dat staat onze toegang in de weg. Als we ons denken veranderen en erkennen dat we zonder Jezus zulke gedachten hebben, dat we zonder Jezus niet zijn koninkrijk kunnen binnengaan, worden we als een kind. Dat is een pijnlijk, maar ook een mooi proces. Telkens weer mogen we wat we zelf doen of kunnen loslaten en met lege handen naar Jezus gaan. Wie als een kind naar Hem toekomt, wordt door de Koning van de kleinen niet afgewezen, maar verwelkomd in zijn koninkrijk.

Volgende week steekt Jezus met zijn discipelen de Jordaan over naar Perea. Daar stelt een veelbelovende jongeman een vraag aan Jezus en krijgt hij een antwoord dat niemand had verwacht.

Uitgelichte berichten