Op weg met de Koning 1: Caesarea

De Veertigdagentijd is een tijd van vertraging en bezinning. Een tijd om ons opnieuw te richten op het lijden, sterven en opstaan van Jezus. In deze periode voor Goede Vrijdag en Pasen reizen we met Hem mee naar Jeruzalem. Op verschillende plaatsen openbaart Hij wie Hij is: de Koning, maar een andere Koning dan wij verwachten. Wat voor Koning is Hij? Hoe ziet Zijn koninkrijk eruit? En hoe vormt Zijn koningschap de mensen die met Hem meegaan? Dit is deel één van onze reis, die begint in Caesarea, waar Jezus Zijn leerlingen een belangrijke vraag stelt.

27Jezus vertrok met zijn leerlingen naar de dorpen in de buurt van Caesarea Filippi. Onderweg vroeg Hij aan zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’ 28Ze antwoordden: ‘Johannes de Doper, en anderen zeggen Elia, en weer anderen zeggen dat U een van de profeten bent.’ 29Toen vroeg Hij hun: ‘En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?’ Petrus antwoordde: ‘U bent de Messias.’ 30Hij verbood hun uitdrukkelijk om met iemand hierover te spreken.
31Hij begon hun te leren dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten van het volk, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen zou worden, en dat Hij gedood zou worden, maar drie dagen later zou opstaan; 32Hij sprak hierover in alle openheid. Toen nam Petrus Hem apart en begon Hem fel terecht te wijzen. 33Maar Hij draaide zich om, keek zijn leerlingen aan en wees Petrus streng terecht met de woorden: ‘Ga terug, Satan, achter Mij! Jij denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat mensen willen.’
34Hij riep de menigte samen met de leerlingen bij zich en zei: ‘Wie achter Mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en Mij volgen. (Marcus 8:27-34)

De verwachtingen van de mensen

Het grootste gedeelte van zijn bediening heeft Jezus met zijn discipelen in Galilea en de gebieden eromheen doorgebracht. Daar heeft Jezus al veel bijzondere dingen gedaan, zoals demonen uitdrijven, mensen genezen, tegen de Farizeeën ingaan en duizenden mensen te eten geven. Galilea was de plek waar Jezus zijn macht en autoriteit had laten zien en waar Hij steeds meer bekendheid kreeg, maar waar er ook steeds meer verwachtingen over Hem waren. Nu verlaat Jezus met zijn discipelen Galilea om naar de omgeving van Caesarea Filippi te gaan. Caesarea Filippi was een bestuurlijk en administratief centrum van de Romeinen en de Romeinse god Pan werd er vereerd. Juist in dit gebied begint Jezus een belangrijk gesprek over zichzelf met zijn discipelen.

Jezus weet dat de mensen allerlei ideeën en verwachtingen over hem hebben, maar toch vraagt Hij aan zijn discipelen: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” Ook de discipelen zijn op de hoogte en vertellen dat de mensen verschillende gedachten over zijn identiteit hebben. Sommigen zagen hem als de herrezen Johannes de Doper, omdat Jezus opriep tot bekering en over een nieuw koninkrijk vertelde. Anderen dachten dat Jezus Elia was, omdat Hij wonderen deed en de religieuze leiders van het Joodse volk confronteerde. Weer andere mensen dachten dat Hij één van de profeten was, omdat Hij namens God tegen Israël sprak. De mensen zagen Jezus als een machtig Iemand die door God gestuurd was, maar ze zagen niet wie Hij werkelijk was.

De Romeinse God Pan werd vereerd in Caesarea.

De verwachtingen van de discipelen

Jezus wil weten of zijn discipelen wél verder kijken. Hij vraagt aan hen: “En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?” Petrus beantwoordt de vraag namens de discipelen, zoals hij wel vaker doet. Hij belijdt: “U bent de Messias!” De discipelen zien wat de mensen niet zien: Jezus is de Christus, de Gezalfde van God, de Koning van Israël en de stichter van het nieuwe koninkrijk. De discipelen hebben een beter beeld van Jezus dan de mensen. Maar toch moet hun beeld van Jezus ook nog bijgesteld worden. Dat blijkt als Jezus hen verbiedt te praten over zijn identiteit. De discipelen weten wel dat Hij de Messias is, maar nog niet wat dat precies inhoudt. Daarom legt Jezus het nu aan hen uit.

De discipelen weten wel dat Hij de Messias is, maar nog niet wat dat precies inhoudt.

Jezus vertelt hen dat Hij moet lijden. Dat het moet, ligt niet in het noodlot besloten, maar in Gods heilsplan voor de wereld. Om de wereld te verlossen, moet Hij verworpen worden door de priesters en de schriftgeleerden, sterven en drie dagen later opstaan. Jezus gebruikt hierbij een andere Naam voor zichzelf dan Messias, namelijk: de Mensenzoon. De Mensenzoon is een titel uit het Bijbelboek Daniël voor Iemand die Koning zal zijn en zal oordelen. Het is een titel waar Jezus zijn koningschap mee benadrukt, maar Hij verbindt deze koninklijke titel nu aan lijden. Dit is de eerste keer dat Jezus zegt dat Hij als Koning moet lijden en sterven, maar Hij zal het nog meerdere keren aan zijn discipelen moeten uitleggen. Hun beeld van de Messias botst met wie Hij werkelijk is.

Een Koning die een kruis draagt

Petrus vindt het zo onvoorstelbaar dat hij Jezus wegdraait van de andere discipelen om Hem terecht te wijzen. De Messias is toch juist een sterk en machtig Iemand, niet Iemand die lijden moet ondergaan? De Koning van Israël verslaat juist zijn vijanden, Hij wordt toch niet door hen ter dood gebracht? Maar Jezus doorziet de geestelijke lading van Petrus’ woorden. Daarom draait Jezus Zijn rug naar Petrus en maakt Hij weer oogcontact met de rest van de groep. Zo laat Hij zien wat Hij van Petrus’ denkwijze vindt en kan Hij de andere discipelen iets leren.
Jezus gebruikt harde taal om dat te doen: “Ga terug, Satan, achter Mij!” Noemt Jezus nu Petrus hier satan? Nee, maar wat Petrus zegt, is wel dezelfde denkwijze als die van Satan in de woestijn. In de woestijn wilde Satan Jezus overhalen om Koning te zijn zonder lijden en sterven, zonder de weg van God te volgen. Het koningschap van Jezus zonder het kruis is echter ondenkbaar. De verwachtingen die mensen van Jezus als Koning hebben, staan haaks op het heilsplan van God.

De verwachtingen die mensen van Jezus als Koning hebben, staan haaks op het heilsplan van God.

Opvallend hier is dat Jezus zegt: “Ga terug, Satan, achter Mij!” Jezus jaagt Petrus niet weg, maar vertelt hem dat hij achter Hem moet gaan staan. Petrus dacht dat hij het beter wist dan zijn Meester, maar hij moet weer zijn plek als leerling innemen en zijn Meester volgen. Jezus roept hierna de menigte bij zich. Blijkbaar waren er toch voortdurend mensen bij Hem in de buurt, net als de discipelen met bepaalde verwachtingen van een Messias en zijn volgelingen. Maar Jezus stelt hun verwachtingen bij. De Messias is geen Koning die met een vingerknip zijn vijanden verslaat en zijn onderdanen een gemakkelijk leven bezorgt, maar de Messias is een Koning die zichzelf op de laatste plek zet en aan het kruis sterft.

De Koning volgen, op weg naar verlies

Wie deze Koning wil volgen, zal ook zichzelf moeten verloochenen en ook moeten lijden. De onderdanen van deze Koning gaan niet voor Hem uit, alsof ze het beter weten. Ze lopen ook niet naast hem, om hem over te halen een andere weg te kiezen. Maar zij gaan achter hem aan en volgen zijn weg. Dit is een moeilijke les voor Petrus, de andere discipelen en de menigte. Ook voor ons kan dit confronterend zijn. Wat is ons beeld van Koning Jezus?

Hier, in de buurt van Caesarea Filippi, laat Jezus zien wat voor Koning Hij is. Zijn weg is een lijdensweg, Zijn troon is een kruis. Dat lijkt verlies, maar het is een overwinning. Wat lijkt op het einde, blijkt het begin van nieuw leven. Wie achter hem aangaat op deze weg, zal delen in het nieuwe leven dat Hij brengt. Durven wij achter Jezus aan te gaan?

Volgende week trekt Jezus verder, naar de berg Hermon. Terwijl hij in Caesarea laat zien dat Hij een Koning is die moet lijden, zal Hij volgende week laten zien dat Hij ook een Koning is die verheerlijkt zal worden. Het lijden en de verheerlijking zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. 

Uitgelichte berichten